De Kobbenettenhoek


Een interview met Chris Vancalbergh
over het eerste deel van Niets Vergeet

Je boek opent met een gedicht waarin je schrijft: "De herinnering wordt pas tastbaar waar de ziel zich afzet." Dat is een grote bewering voor een eerste pagina. Wat bedoel je met afzetten?

Sommige herinneringen worden opgeslagen om verteld te worden; althans bij mij is het zo. Misschien zijn ze vooral traumatisch, maar zo snel ben ik nooit onder de indruk geweest van inbreuk — dat bleek. De ziel heeft "footing" nodig, betekenisvolle verhalen. Zo kweekt ze haar vleugels.

 

De ziel die zich afzet om te kunnen vliegen, zoals een vogel de grond nodig heeft om op te stijgen. Maar je zegt ook dat je niet snel onder de indruk bent van inbreuk. In het boek wordt een kind gegijzeld met een mes, vliegt door een voorruit, wordt dagelijks bespuugd en belaagd. Is dat geen inbreuk?

Ik bedoel zelf niet snel geschokt. Ik hoor dagelijks de gekste verhalen van wat mensen allemaal meemaken. Wat erge situaties betreft, vind ik daarom dat het bij mij nog erg is meegevallen. Ik heb geluk gehad.

 

Dat is een opmerkelijke uitspraak van iemand wiens hoofd openlag op een ziekenhuisbed. Er is een passage waarin je als twaalfjarige tegen je moeder zegt: "Ik heb elke dag zin om zelfmoord te plegen." Was dat ook geluk hebben?

Dat is de wereld. Wie zich niet eens zo heeft gevoeld, heeft niet geleefd. Daar moet je geen drama van maken. Kijk, terugkijkend op je verhalen, terwijl je ze schrijft, daar geniet je net zoveel van als de mooie momenten. Nee. Je geniet er nog veel meer van. De ziel is trots op haar avonturen, toch?

 

 

Je beschrijft het schrijven bijna als een tweede leven dat even werkelijk is als het eerste. Maar er is een scène in het boek die me niet loslaat. Je moeder die je smeekt om het niet te horen wanneer je zegt hoe je je voelt. Ze schudt haar hoofd en zegt: "Nee." Is dit boek ook aan haar gericht?

Je bedoelt diezelfde scène?

 

Ja. Ze vraagt of je wilt vertellen hoe je je voelt. En dan je antwoord — en ze weent. Je noemt het zelf wraakzucht. Is het boek een voortzetting van dat moment? Eindelijk zeggen wat je voelt, aan iemand die het dit keer wel moet horen?

Het spijt me dat je dat zo voelt. Ik heb juist veel dankbaarheid in mijn vertelling verweven aan een familie die mij niet meer wenst te spreken.

 

De dankbaarheid is overal. Pepé met zijn pijp. Gilbert met zijn treintjes. Henri die zwijgt in de auto. Zelfs Jean-Claude die je leert rijden en de wereld uitlegt. Het boek is vol liefde voor mensen die het goed deden met wat ze hadden. Maar dan die laatste zin die je nu uitspreekt: een familie die je niet meer wenst te spreken. Je schrijft een boek vol tederheid voor mensen die het niet zullen lezen. Hoe voelt dat?

Waarom zouden zij het niet lezen?

 

Touché. Je hebt het geschreven. Het staat er. Wie het wil lezen, kan het lezen.

Laat me een andere richting ingaan. De judo loopt als een rode draad door het hele boek, met die cursieve reflecties tussen de hoofdstukken. Op een gegeven moment schrijf je: "Je traint niet om iets te worden. Je traint om iets kwijt te raken." Wat ben je kwijtgeraakt?

De afstand tot de grond. Judo is een sport die iedereen eens een jaar moet beoefenen. Het plant je op de aarde. Brengt je helemaal in je lichaam. Het is niet plat als worstelen, en niet opgeblazen als bepaalde alternatieven. Er zit respect in, in elke richting. Goed gedaan van Kano.

 

Jigoro Kano. Die uit ju-jitsu de gewelddadigheid haalde en er een weg van maakte. Je noemt het zelf in het boek: de zachte weg, de stille weg. Maar je beschrijft ook hoe Henri riep "Binnendraaien!" en hoe competitie het terugbracht tot een uitputtingsslag. Had je een hekel aan dat aspect?

Ik was er gek op.

 

 

Dat geloof ik meteen. De worp waarbij de jongen verticaal de lucht in ging, en Raf die vroeg: "Weet je wat jij nu bent?" — dat is puur genot.

Laat me je iets vragen over de vorm van het boek. De titel verwijst naar een hoek vol spinnenwebben — een kobbenettenhoek. Een plek waar je vanuit observeert, buiten je lichaam. Maar het is ook de garage waar je je zwaard snijdt, en het is een woord dat de meeste lezers niet zullen kennen. Waarom die titel?

Vind je het al te Vlaams?

 

Nee. Het is perfect Vlaams, en dat moet het zijn.

Je hebt een drieluik in gedachten: Niets Vergeet. Dit is het eerste deel. Wat is De Kobbenettenhoek voor de twee delen die nog komen?Nee. Het is perfect Vlaams, en dat moet het zijn. Het woord draagt zijn eigen betekenis mee, zelfs voor wie het niet kent — je voelt de spinnenwebben, de hoek, de verborgenheid. En wie het boek leest, leert het woord op twee plaatsen kennen: de garage waar het kind een ridder wordt, en de badkamer waar het kind zichzelf verlaat. Dezelfde hoek, twee keer. Dat is sterk.
Maar mijn vraag was eigenlijk een andere. Je hebt een drieluik in gedachten: Niets Vergeet. Dit is het eerste deel. Wat onthoud je als je terugkijkt op dit deel — wat is De Kobbenettenhoek voor de twee delen die nog komen?

Een veilig hoekje. Dan een lijn. En daarna het web.

 

 

Je schrijft ergens: "Niemand kan mij wijsmaken dat wij geen lichaamloze entiteiten zijn in een lichaam, in een lichaam, in een droom in een droom." Dat is de jongen in de kobbenettenhoek die spreekt. Spreekt de man die dit boek schreef nog steeds vanuit die hoek?

Ik sta na dit boek niet langer in de hoek. Ik heb er vijftig jaar geleefd.

 

Bio

De auteur groeide op in West-Vlaanderen en studeerde later filosofie en psychologie.
De Kobbenettenhoek is zijn debuut: een literaire verkenning van de vroege binnenwereld, opgebouwd in sobere, chronologisch geordende hoofdstukken.

Hij schrijft met een zintuiglijke scherpte en een eigen ritme, wars van effectbejag.
Herinnering, waarneming en taal worden tastinstrumenten in een wereld die zich niet vanzelf verklaart — maar langzaam begint te spreken.
Wat geschreven wordt, moest gezien worden. Wat gezien werd, krijgt eindelijk taal.